De werkcurve: het ritme dat kinderen ons laten zien
door Maartje van Houwelingen
Een thuiswerk dag op de planning met een flinke to-do lijst op het post-it blaadje. Zo startte mijn dag vanmorgen. Kinderen naar school laptop, schrijfboek en pen in de aanslag, klaar om te starten. Eerst nog even koffie pakken. De ontbijtboel in de vaatwasser. En de planten water. De mailbox open. Kort wat mailtjes beantwoorden, even een instagrampost maken……
Je kunt nu denken “Wat is die aan het uit te stellen! Ze doet niets concreets. Die krijgt haar to do list nooit af zo.”
Maar ik weet inmiddels hoe het werkt. Dit is iemand die zich aan het voorbereiden is. Een onderdeel van een patroon dat volwassen net zoals kinderen iedere lange werkperiode doorlopen.
De werkcurve, ontdekt door Maria Montessori.
Maria Montessori deed iets wat zeer uniek was voor haar tijd. Ze observeerde kinderen. En daarmee deed ze een belangrijke ontdekking waarop het montessorionderwijs grotendeels gebaseerd is. Kinderen die écht vrij mochten werken, zonder dat er gestuurd werd op tempo, product of resultaat, doorliepen bijna altijd hetzelfde patroon. Ze noemde het de werkcurve, of de curve van de arbeid.
Eerst is er de fase van voorbereiding. Het kind lijkt ongeconcentreerd, misschien zelfs wel ongeïnteresseerd. Het pakt iets op, legt het neer. Loopt wat rond. Kijkt. Deze fase voelt voor volwassenen als tijdverspilling. Het is het tegendeel. Het kind ordent innerlijk. Het zoekt aansluiting bij zijn eigen energie, zijn eigen vraag van dat moment. En daar doet je voorbereide omgeving haar werk.
Dan komt het keerpunt. Plotseling vaak zonder aanleiding die wij kunnen zien, pakt het kind iets. En dan begint het.
De tweede fase is die van grote, stijgende arbeid. Het kind werkt. Herhaalt. Concentreert. De buitenwereld lijkt te verdwijnen. Dit is wat Montessori de polarisatie van de aandacht noemde: die toestand van diepe concentratie waarin een kind als het ware samenvalt met zijn werk. Het kind is gewoon volledig aanwezig bij wat het doet.
De derde fase is die van de grote arbeid zelf: het diepste punt van concentratie, gevolgd door rust. Een voldaan gevoel dat zichtbaar is in de houding van het kind. Een innerlijke stilte.
De werkcurve ontstaat niet zomaar. Ze is geen trucje dat je kunt inzetten. Ze is het gevolg van een aantal fundamentele keuzes die je als leerkracht maakt, binnen de lange werkperiode. Wat dat is een vereiste om deze werkcurve goed te kunnen doorlopen.
Het eerste principe is dat van de vrijheid binnen grenzen. Zonder vrijheid is er namelijk geen werkcurve. Het kind moet kunnen kiezen wanneer het werkt, waarmee en voor hoe lang. En die vrijheid heeft structuur nodig. De voorbereide omgeving. De voorbereide omgeving is precies dat: een ruimte die vrijheid mogelijk maakt doordat ze richting geeft.
Het tweede principe is vertrouwen in de innerlijke drang. Montessori geloofde dat elk kind een aangeboren drang heeft om te begrijpen, te ordenen, te groeien. De werkcurve is de zichtbare vorm van die drang. Maar die drang kan alleen zijn werk doen als wij er als volwassene niet steeds tussenkomen. Niet corrigeren voor het kind er zelf aan toe is. Niet helpen voor het om hulp vraagt. Niet complimenteren. Want elk compliment dat je geeft, trekt het kind uit zijn concentratie en verschuift de motivatie van binnen naar buiten.
Het derde principe is dat van de herhaling. De concentratie in de tweede fase bouwt zich op door herhaling. Een kind dat twintig keer een oefening herhaalt, doet dat niet omdat het moet. Het doet het omdat het iets in zichzelf aan het perfectioneren is. Dat is intrinsieke motivatie.
Wat vraagt dit van ons als onderwijsprofessional? Eigenlijk het moeilijkste deel. Want de werkcurve vraagt iets van ons wat tegen onze instincten ingaat.
Ze vraagt dat we die zogenaamde voorbereidingsfase verdragen. Die rondloper, die aanrommelaar, die “niets-doener” . Als wij dat kind op dat moment aanspreken, sturen, een materiaal aanwijzen, een opdracht geven, dan onderbreken we precies het proces dat we willen zien. We doorbreken de curve voor die goed en wel begonnen is.
Ze vraagt dat we niet ingrijpen in de concentratiefase. Hoe verleidelijk ook.. Maar elk contact, ook een vriendelijke aanraking op de schouder, is een onderbreking. Die concentratie beschermen is een van de belangrijkste taken van de leerkracht. Want eenmal doorbroken begint de werkcurve weer van voor af aan.
Ze vraagt dat we observeren in plaats van sturen. Opschrijven wat je ziet. Wanneer welk kind werkt. Hoe lang. Wat het pakt en laat liggen. Op die manier gaan patronen zichtbaar worden.
Ze vraagt ook dat we de omgeving voorbereiden met die drie fases in gedachten. Een lokaal dat te druk is maakt de voorbereidingsfase onmogelijk. Het kind kan niet naar binnen keren als de buitenkant constant roept.
Wat denk jij, zou ik mijn to-do list af hebben gekregen vandaag?
Bronnen: En nu Montessori Ave Ik, Hendriksen en Pelgrom (2018 3e druk)
De Methode – De ontdekking van het kind, Montessori ( 2018, Montessori – Pierson Publishing Company)