Het gebeurt bijna elke keer tijdens mijn opleiding Montessori Basisbekwaam. Ik leg de typologie van scholen van Jan Hooiveld uit, en dan zie ik het gebeuren. Die blik van herkenning. Die zucht van verlichting. En daarna de vraag die altijd komt: “Dus het ligt niet aan mij?”
Nee, het ligt niet aan jou.
De spagaat die je voelt
Als montessorileerkracht werk je in een Type (C)D school, een ontwikkelingsschool. Concentrisch curriculum, het individu als uitgangspunt, eigenaarschap van leren. Kinderen hebben invloed op hun eigen activiteiten, werken aan betekenisvolle gehelen, jij bent coach in plaats van uitvoerder van een methode.
Maar dan krijg je het dyslectieprotocol op je bureau. Of de richtlijnen voor hoogbegaafdheid. Of het verbeterplan van een extern bureau. En ineens voel je die spagaat. Want wat er gevraagd wordt, past niet bij hoe jij werkt. Niet omdat jij iets verkeerd doet, maar omdat die vraag gesteld wordt vanuit een andere bril: vaak de neoklassikale bril van een Type B school.
Lineair curriculum, de klas als uitgangspunt, werken met de methode, convergente differentiatie. Basisstof, extra stof, verdiepingsstof. Voor en na instructie. De leraar als uitvoerder.
Twee totaal verschillende werelden. En jij moet beide bedienen.
Het probleem met één bril
Hier zit mijn frustratie. Niet in het feit dat er verschillende schooltypen bestaan, dat is juist de kracht van ons onderwijslandschap. Mijn frustratie zit in het feit dat bijna alle plannen, protocollen en richtlijnen die van buitenaf komen, gestoeld zijn op dat neoklassikale Type B denken.
Het dyslectieprotocol bijvoorbeeld. Daar staan dingen in als: “Zorg voor extra instructietijd”, “Gebruik de speciale methode”, “Plan extra oefenmomenten in de basisstof”. Allemaal logisch vanuit een Type B perspectief, waar je met een hele klas werkt volgens een vaste methode en een lineair curriculum.
Maar in jouw montessorischool werkt dat anders. Daar is er geen klassikale instructie waar een kind extra van krijgt. Daar werk je al met individuele leerroutes. Daar is geen basisstof en extra stof, maar een voorbereide omgeving waar kinderen hun eigen tempo vinden. Daar heeft dat dyslectische kind misschien juist baat bij meer ruimte en minder druk, niet bij extra instructie.
De typologie van Jan Hooiveld
Laat me even uitleggen waarom dit model zo waardevol is. Jan Hooiveld onderscheidt vier hoofdtypen scholen, op twee assen.
De ene as loopt van groepsgericht naar individugericht. Wordt het onderwijs georganiseerd rond de groep of rond het individu?
De andere as loopt van lineair naar concentrisch curriculum. Werk je met een vaste volgorde van leerstof opgedeeld in delen, of werk je met en rond gehelen?
Dat geeft vier typen. Type B is de neoklassikale school: groepsgericht met lineair curriculum. Type C is de geïndividualiseerde school: individugericht met lineair curriculum. Type D is de ontwikkelingsschool zoals Montessori, individugericht met concentrisch curriculum. En Type E is de gemeenschapsschool: groepsgericht met concentrisch curriculum.
Geen van deze typen is beter of slechter. Ze zijn gewoon anders. Met andere kernwaarden, andere werkwijzen, andere uitgangspunten.
Waarom één bril niet werkt
Als je beleidsmakers, inspectie, externe bureaus of protocollen hebt die vanuit Type B denken schrijven, passen die antwoorden niet bij Type D vragen.
Het is alsof je een Spaanse zin probeert te begrijpen met een Franse grammatica. De woorden lijken misschien op elkaar, maar de structuur klopt niet.
Ik zie het in mijn coachingspraktijk: scholen die zich in bochten wringen om te voldoen aan richtlijnen die niet passen bij hun visie. Leerkrachten die zich afvragen waarom het niet lukt om die externe eisen te vertalen naar hun praktijk. En het antwoord is simpel: omdat die eisen niet geschreven zijn voor jouw type school.
Dezelfde taal gaan spreken
Mijn pleidooi is dit: laten we dezelfde taal gaan spreken. Laten we erkennen dat er verschillende schooltypen bestaan, met verschillende uitgangspunten. En laten we plannen, protocollen en richtlijnen maken die rekening houden met die verschillen.
Dat betekent niet dat we voor elk schooltype een compleet nieuw protocol moeten schrijven. Maar het betekent wel dat we vragen stellen als: “Hoe ziet extra ondersteuning eruit in een Type D school?” in plaats van uit te gaan van het Type B antwoord.
Voor jou als montessorileerkracht betekent het dat je jezelf de vraag mag stellen: past dit bij mijn visie? En als het antwoord nee is, dat je dan niet automatisch hoeft te concluderen dat jij iets verkeerd doet.
Concentrisch waar het kan, lineair waar het moet
Dit is de zin die ik altijd meegeef aan mijn deelnemers. Want natuurlijk is niet alles zwart-wit. Natuurlijk zijn er momenten waarop ook een montessorischool lineair moet werken, niet alleen als de externe eisen dat vragen. Maar als je constant lineair moet werken terwijl je visie concentrisch is, dan drijf je af van waar je voor staat.
Het gaat om bewustheid. Om weten wanneer je een compromis sluit en waarom. Om niet per ongeluk te vervallen in Type B denken terwijl je een Type D school wilt zijn.
Wat kun jij doen?
Ten eerste: herken de spagaat en weet dat het niet aan jou ligt. Jij bent niet de enige die dit voelt.
Ten tweede: maak expliciet in je team welk type school je bent en wat dat betekent voor je dagelijkse praktijk. Als je dat helder hebt, kun je bewuster keuzes maken.
Ten derde: durf de vraag te stellen bij protocollen en plannen die van buitenaf komen. Niet om dwars te zijn, maar om te onderzoeken of dit past bij jouw type school. En zo niet, wat dan wel?
Ten vierde: deel deze typologie met je directie, met externe bureaus, met beleidsmakers die bij jouw school betrokken zijn. Laat zien dat jullie vanuit een ander perspectief werken.
Samen sterker
Ik blijf geloven in de kracht van verschillende schooltypen. Ik blijf geloven dat er ruimte moet zijn voor neoklassikale scholen, geïndividualiseerde scholen, ontwikkelingsscholen en gemeenschapsscholen. Want iedereen heeft zijn eigen waarden, normen en overtuigingen, het is fijn dat we in Nederland kunnen kiezen!
Maar dan moeten we wel dezelfde taal gaan spreken. Dan moeten we ophouden met het aanleveren van plannen die gestoeld zijn op één type school, alsof dat de norm is.
Want er is geen norm. Er zijn typen. En dat is precies de kracht.
🌱
Herken jij deze spagaat? Hoe ga jij daarmee om in jouw school?
We komen graag langs om jou hierin op weg te helpen.