Werken op de gang, zo bouw je vrijheid op in het montessorionderwijs

montessorikind en leerkracht werken op de gang.

Er is een vraag die ik in de eerste weken van het schooljaar bijna overal terugkrijg. Hoe krijg je het voor elkaar dat kinderen buiten het lokaal ook echt aan het werk zijn. Op de gang, in de hal, op dat plekje bij de trap waar niemand toevallig langsloopt. In het montessorionderwijs hoort die vrijheid er gewoon bij en juist daarom is het in de gouden weken een van de eerste dingen die je opbouwt.

Opbouwen is precies het goede woord. Vrijheid is niets wat je op de eerste maandag uitdeelt. Het is iets wat je in kleine stappen uitbreidt, eerst de deur op een kier.

Sfeer bouw je niet met een poster

Over de gouden weken wordt zeker nu veel geschreven en meestal gaat het over sfeer. Kennismakingsspelletjes. Groepsafspraken op een groot vel, iedereen zet er een handje bij. Prima allemaal, ik heb het zelf ook gedaan. Alleen merkte ik dat er in november van dat vel niets meer over was dan een vergeelde en vergeten poster aan de muur.

Wat wel bleef hangen waren de dingen die we echt geoefend hadden. Hoe je langs een kleedje loopt zonder erop te gaan staan. Hoe je wacht op iemand die in gesprek is. Hoe je een stoel optilt in plaats van sleept. Hoe je met elkaar snel en stil het lokaal ombouwt om in de kring te gaan zitten. Hoe je een la opendoet en weer dichtdoet, hoe je iets aangeeft met twee handen, hoe je je jas ophangt zonder dat de rest eraf valt. Kleine dingen. Je doet ze in stilte voor en de weken erna doe je ze nog een keer of tien.

Dat zijn geen regels. Het is gedrag dat je oefent zoals je een som oefent. Daar komt bij dat wij met heterogene groepen werken. Zat het er vorig jaar al in, dan hoef je aan het begin van het schooljaar alleen je nieuwe kinderen erin mee te nemen. Het mooie is dat de oudere kinderen dat grotendeels zelf doen. Een zesjarige die het van een achtjarige ziet gelooft het eerder dan wanneer jij het zegt.

Begin bij observeren, niet bij afspraken

Ook voor het werken buiten het lokaal helpt zo’n poster je niet verder. Observeren wel. Neem de gang en de hal gewoon mee in je ronde, niet om te controleren maar omdat je daar ziet wat je binnen niet ziet. Wie is echt aan het werk. Wie zit vooral gezellig. Wie komt elke vijf minuten iets vragen omdat hij het alleen nog net niet redt.

Geef dat vertrouwen dan ook aan de kinderen die zich niet vanzelf gedragen. Dat is een lastig deel, dat besef ik maar al te goed. Het is verleidelijk om de gang te bewaren voor de kinderen bij wie het toch wel goed komt, maar dan oefent juist het kind dat het het hardst nodig heeft nooit.

Gaat het mis, dan is straffen het minst interessante antwoord. Een vraag levert meer op. Wat had je nodig om aan het werk te blijven. Wat ging er wel goed in dat eerste kwartier. Waar zou jij zelf gaan zitten als je dit af wilt krijgen. Wat wil je morgen anders proberen. Zulke vragen leggen de verantwoordelijkheid terug waar hij hoort en ze geven jou meteen je volgende lesje.

Wat er ondertussen nog meer gebeurt

Er is de laatste jaren veel te doen over executieve functies. Remmen, aandacht vasthouden, plannen, ergens aan beginnen, jezelf bijsturen. Toen ik daar voor het eerst een studiedag over moest gaan geven zat ik vooral te denken, dit doen wij allang.

Kijk maar naar een gewone ochtend. De stille oefening is remmen, in je hele lijf. Lopen op de lijn ook. De vrije werkkeuze vraagt om plannen en daarna om beginnen. Dat beginnen is voor sommige kinderen het lastigste half uur van hun dag. De lange werkperiode is aandacht die niet om de tien minuten door een bel wordt afgekapt. Het uitgestelde antwoord, waarbij een kind even wacht tot jij tijd hebt, hoort er ook bij. Zelfcorrigerend materiaal laat een kind naar zijn eigen fout kijken zonder dat er een volwassene bij hoeft. Opruimen wat je gepakt hebt voordat je iets nieuws kiest is planning in het klein. De vredestafel, tja, dat is emotieregulatie met twee stoelen eromheen.

Een half uur alleen op de gang werken vraagt ze eigenlijk allemaal tegelijk. Je hoeft er dus geen programma bij te kopen. Het zit al in onze visie en in de manier waarop we met kinderen werken.

Wat ik er zelf van geleerd heb

Ik dacht vroeger dat je de gouden weken moest vullen. Druk, gezellig, veel samen. Inmiddels denk ik het omgekeerde. Hoe rustiger die eerste weken, hoe meer ruimte er is om te laten zien hoe het bij ons gaat. Een kind dat in september ervaart dat het echt zelf mag kiezen en dat niemand over zijn schouder meekijkt, gelooft dat in maart nog steeds.

Zodra de kinderen ’s middags weg waren, sloot ik mezelf een kwartier op met de bezem in mijn hand. Ik veegde het lokaal zelf nog even na. Dat hoefde ik niet te doen en toch deed ik het. Ondertussen liep mijn hoofd de dag langs. Welke vraag kreeg ik nou steeds vandaag. Waar zat ik me eigenlijk aan te ergeren. Wie had ik eigenlijk niet op de gang gezien. Wat ging ik morgen voordoen, want in montessorionderwijs is dat een echte les, een wellevendheidsles. Dat kwartier was mijn nabereiding en mijn voorbereiding tegelijk, ik had er meer aan dan aan het nakijken van schriftjes.

Daarom veeg ik nog altijd zelf. Ook nu ik opleider ben trek ik na een bijeenkomst het lokaal even recht en laat ik het netjes achter voor mijn collega. Dat is meegenomen, maar het is niet de reden. Ook werken met volwassenen vraagt om die ene vraag, wat doe ik de volgende bijeenkomst anders.