Over een paar weken gaan de deuren weer open. Voor sommigen van jullie is dat gewoon een nieuw jaar met een nieuwe groep. Voor anderen is het de eerste keer dat je een montessorigroep binnenloopt, met een kast vol materiaal waarvan je de helft nog niet kent.
Als jij tot die tweede groep hoort: welkom. En adem even uit. Je hoeft in september nog lang niet alles te kunnen.
Wat er anders voelt
Het eerste wat opvalt, is dat jij minder vooraan staat. Je geeft korte lesjes aan één kind of aan een klein groepje. De rest van de tijd werken de kinderen zelf en jij kijkt.
Dat voelt in het begin heel ongemakkelijk. Alsof je te weinig doet. Alsof je erbij staat. Dat gevoel hoort erbij en het gaat over, meestal ergens rond de herfst. Want wat je in die weken aan het doen bent, is het moeilijkste deel van dit vak: je leert kijken of beter je leer observeren.
Dan is er de voorbereide omgeving. De kast is niet zomaar een kast. Waar het materiaal staat, wat op ooghoogte ligt, wat je juist even weghaalt, het bepaalt voor een groot deel wat er in je groep gebeurt. Je stuurt dus vooral via de omgeving en veel minder via je stem. Dat is wennen als je gewend bent aan een groep die naar jou luistert.
Je gouden weken zijn hier anders
De eerste weken van het schooljaar heten niet voor niets de gouden weken. Je bouwt aan de sfeer waarin de rest van het jaar zich afspeelt. In een montessorigroep gaat dat alleen net even anders dan je misschien gewend bent.
Je besteedt die weken minder aan groepsafspraken op een poster en meer aan de omgeving zelf. Waar hangt de jas. Hoe draag je een dienblad. Hoe vraag je iets aan een ander kind. Hoe leg je iets terug zoals je het zelf wilt aantreffen. Kleinigheden, zou je zeggen, maar je teert er de rest van het jaar op. Een kind dat weet hoe het een werkje pakt en terugzet, hoeft daar in november niets meer over te vragen.
En je doet dit samen met de kinderen die er vorig jaar al waren. Dat is de winst van een heterogene groep. Je hoeft het niet in je eentje voor te doen.
Wat je nog niet hoeft te kunnen
Je hoeft niet alle lesjes te kennen. Geen enkele startende montessorileerkracht kent alles en ook ik leer na al die jaren nog steeds bij.
Wat je in het begin nodig hebt, is een handvol lesjes die je écht goed beheerst. Liever vijf presentaties die je goed beheerst dan vijftig die je half kent. Kinderen voelen het verschil onmiddellijk en jij staat er rustiger bij.
Verder heb je vooral de moed nodig om niet meteen in te grijpen. Een kind dat vastloopt op een werkje heeft niet altijd hulp nodig. Soms is het gewoon een kind dat aan het denken is.
Juf, het papier is op. Mag ik een gum? Mag ik naar de wc? In je eerste weken krijg je die vragen de hele dag door en de neiging is om ze allemaal netjes te beantwoorden. Doe dat gerust, maar schrijf ze ook op.
Want elke vraag is eigenlijk een aanwijzing over je omgeving. Het papier lag niet op een vaste plek. De gummen stonden te hoog. Er was nog geen duidelijke afspraak over de wc. Pas je omgeving erop aan en de vraag komt niet meer terug.
Daar werk je naartoe. Niet dat de kinderen jou niet meer nodig hebben, wel dat ze jou hiervoor niet meer nodig hebben. Dan houd je je handen vrij voor de dingen waar je er wél voor bent.
Hoe je het leert
Lezen over montessorionderwijs is iets anders dan het uitleggen aan iemand die het nog niet kent. Wat echt helpt, is het materiaal in je eigen handen hebben en het hardop doen, met collega’s om je heen die dezelfde vragen hebben.
Daarom werken wij altijd met echt materiaal, in kleine groepen, met mensen die morgen weer voor hun eigen groep staan. De Montessori Quickstart is daarvoor de kortste route. In één dag grip op je voorbereide omgeving en een aantal lesjes die je meteen kunt gebruiken. Wil je verder, dan liggen de opleidingen voor je klaar, tot en met de volledige montessoribevoegdheid.
Je hoeft niet meteen te kiezen. Je mag altijd een keer komen kijken of mail me voor een persoonlijk gesprek.
En verder: veel plezier deze eerste weken. Het mag ook gewoon leuk zijn.